Rietdak Het strodekkersbedrijf was tot voor enkele decennia een belangrijk onderdeel van de landelijke bouwkunst. Het strodak was, in vergelijking met de rest van de soms eerder primitieve woning, een kunstig en bovendien zeer functioneel iets: niet alleen beschutte het mens en dier tegen de atmosferische omstandigheden, maar het bewaarde ook de niet al te duurzame (lemen) wanden voor lange tijd. Een behoorlijk onderhouden strodak had onmiskenbaar ook een fraai uitzicht.

Het dekken van zo'n dak was dan ook het werk van een bekwaam vakman, die de vernuftige techniek meestal van zijn vader of een oom overgeërfd had. In de bevolkingsregisters zijn voor het Land van Nevele soms hele geslachten van strodekkers aan te wijzen. Het laatste woonde in Merendree, in de Lange Akkerstraat op de wijk Overpoeke. Gustaaf Van de Putte was er de laatste afstammeling van. Op 16-jarige leeftijd had hij het vak geleerd bij zijn oom Fredericq Van de Putte, van wie hij ook het materiaal overnam.

Ruim 55 jaar trok hij te voet met zijn gerief op de rug en vergezeld van zijn vader August en zijn broers naar de plaatsen waar een woning, een stal of een schuur van een strodak voorzien diende te worden. Als materiaal verwerkte hij daarbij zowel roggestro van de boerderijen als riet dat hij ging halen in de polders van Sint-Margriete.

Strodak techniek

Vóór de dekker het dak met stro begon te dekken, bracht de timmerman vanzelfsprekend een houten (dak)geraamte aan dat bestond uit balken, kepers en (dak)latten. Die latten waren gekloven perchen en lagen gewoonlijk op een 22 cm aftand van elkaar. Bij een grotere afstand was het strodak vlugger versleten.

De strodekker begon zijn taak altijd met het leggen van twee lagen (dial. lijnen of latten) tarwestro op de neuze(steert) (= het over de muren uitspringende gedeelte van het dak). Die lijnen werden horizontaal uitgespreid (het gat van de bundels stro naar onderen) en vastgeklonken met bandroeden (die ook gekloven perchen waren). Dat alles werd dan een de kepers van het dak vastgebonden met wissen. Daarbovenop kwamen dan telkens nieuwe lijnen dekstro tot men de nok bereikte. Langs de nok heen werd ook een bandroede aangebracht, die verstevigd werd met een zinkdraad.

De nok werd dichtgemaakt door het opstaande stro aan beide zijden over elkaar te vouwen en samen te binden. Sommige strodekkers legden daar dan graszoden op. Onze zegsman, Gustaaf Van de Putte uit Merendree, heeft dat procédé echter nooit toegepast; hij legde op de nok grote nokpannen, die ruim 10 jaar standhielden. Voor woningen en ander "luxe"-werk werden staande nokken gemaakt, waarbij het opstaande stro tegen elkaar aangetrokken werd en waarop men dan gekromde wissen als sieraad plaatste.

Naast de gewone dekwijze, die de goedkoopste was, was er ook een duurder procédé, dat men doorgaans het gedreven dak noemde. Hierbij werd het dekstro dichter op elkaar uitgespreid en harder vastgelegd.

Bij de gewone dekwijze verwerkte de strodekker ongeveer 4 kg stro per lopende meter. Zo'n dak hield zowat 30 à 35 jaar stand, maar volgens de laatste strodekker uit het Land van Nevele was de zonzijde van het dak een 3 à 4 jaar vroeger versleten dan de schaduwzijde: door de warmte krulde het stro, het werd broos en brak vlugger af.

Elke dekker had ook een diender die o.a. al het gerief en het materiaal moest aanbrengen en de bundel stro goed moest uitschudden en de einden ervan rechtsnijden.

Strodak werktuigen

Allereerst had de strodekker twee dekpaarden, die bestaan uit een houten geraamte en (bovenaan) een ijzeren haak. De haak wierp hij over de latten van het dak en op het houten geraamte kon hij zijn voeten plaatsen. Het dekpaard functioneerde dus als een soort stelling. Verder beschikte hij over een paar messen:

  1. het latmes (met lange tanden), waarmee hij de lijn of laag tegen de deklat aantrok,
  2. het snij- of scheermes, warmee de uiteinden van de bundels stro gelijk gesneden werden.

Een ander werktuig was de klopplank, een houten plank van 15 bij 25 cm waaraan een steel stak. Met de klopplank klopte de dekker het stro effen dat over de neuze hing.

Hij had ook twee priemen, de haakpriem en de schuppriem, die ertoe dienden de wissen aan de bandroeden vast te sjorren vooraleer zij gebonden werden.

Tenslotte beschikte hij nog over een hamerbijl, die, zoals het woord het zegt, tegelijk als hamer en als bijl kon fungeren.

Alle kleinere werktuigen pasten juist in de twee dekpaarden die zelf ook in mekaar pasten. Zo kon de strodekker, als hij op stap ging, al zijn materieel over de schouder op de rug dragen.

Soorten daken - Stro Dak

Text Size
donderdag, augustus 16, 2018

Member Login